“Gras”

Mijn inzending voor een schrijfwedstrijd. Ik zeg lekker niet welke. Een fictief verhaal. Dat dan weer wel.

“Gras”

Een

Ik kan me de exacte datum niet herinneren. Ik weet alleen dat het een warme zomernacht was. Zo eentje waarvan je huid nog ruikt naar zweet, de grassprieten nog uren in je benen gegrift staan en je gezicht blijvend in de kreukels ligt van de zonnestralen.

Net als vandaag, eigenlijk.

Zijn fiets liet hij zacht vallen in het dampende gras, pal naast mijn bestickerde barrel. De zijne had twee handvaten: een paarse en een zwarte. Misschien heeft hij een van de twee gepikt en rijdt nu ergens een treurig meisje langs de Amsterdamse grachten met slechts één handvat. Het koude ijzer onder haar rechterhand, als een constante herinnering dat je niets in het leven voor altijd kunt vasthouden.

Zonder een woord met hem gewisseld te hebben, besloot ik dat hij dat nooit zou doen. Daar was hij te lief voor. En lieve jongens, die stelen niet.

Hij groette Timo met een innige omhelzing en een zesdelige handdruk. Mijn oog-hand coördinatie werd duizelig van het schouwspel. Ik gniffelde bij het idee dat ze dit ooit zo afspraken.

Mannen.

Een kus volgde voor Robin. Een gulle omhelzing voor Mauro. Ik observeerde zijn begroeting ronde nauwlettend, zoals ik dat altijd deed bij nieuwelingen. Ben ik al aan de beurt?

Hij stak zijn hand uit. De koudste begroeting was voor mij.

Ijzige stilte.

Ik voelde mijn springerige pony in mijn ogen waaien. De stilte werd overrompeld door een brassband op steroïden. Een vurige liveshow in mijn hoofd.

Zijn groene ogen spraken tegen me: ‘Kom maar meid, verdwaal maar in mij.’ En zo zou geschieden.

Mijn naam bleef ergens achterin mijn keel hangen. Ik keek om me heen, mezelf afvragend of iemand mijn bliksemschichten en vuurpijlen ook had gezien. In mijn ooghoeken zag ik Chris me een bijdehante blik toewerpen.

Als iemand wist hoe laat het was, was hij het wel.

Ik besloot direct: van jou wil ik er twee. En de hele wereld mocht weten dat ik als pudding in zijn kommetje was. Klaar om opgeslokt te worden.

Het was tijd voor liefde op het eerste gezicht.

Wist ik veel.

 Twee

Je zit op de rand van het bed. Zweetdruppels vormen kleine eilandjes op je rug. De schemering valt precies op de groep tussen je schouders. Ik probeer met mijn rechtervoet de klamme matrashoes terug om de matras te doen als mijn oog valt op een witte prop naast het bed. Ik doe een knullige poging om hem richting je hoofd te gooien, gevolgd door een zachte landing op je donkere krullende lokken.

De enige respons is die van je kapsel. Als haren konden dansen, deden die van jou een rommelige salsa.

Voorzichtig kruip ik naar je toe.

‘Je maakt je altijd zo druk om randzaken.’

Humor was altijd al mijn enige wapen. Ik leg mijn hand op je blote bovenbeen.

‘Jouw ontwapen-wapen’ noemde je het wel eens plagerig.

Andere manieren om je aan het praten te krijgen, waren tevergeefs.

Altijd geschoten, altijd mis.

‘Zei je iets?’ Je stelt de vraag, maar verlangt geen antwoord.

Had ik geteld hoe vaak ik je zo verzonken zag in gedachten, dan was de harde schijf van mijn geheugen vol geweest. Je keert jouw rechterwang naar me toe. Diezelfde schemering kleurt nu het u-vormige litteken bij je kaaklijn. Je bent de mooiste kleurplaat die ik ooit mocht zien.

Ik antwoord met stilte.

Alweer.

Drie

In het begin hechtte ik geen waarde aan jouw zogenaamde bezinkingen. Maar steeds vaker leken de donder en bliksem boven jouw hoofd mijn blijdschap te doen smelten. Alsof ik van suiker was. Of van softijs.

Misschien was het de snelheid die me overviel. Steeds harder en steeds vaker.

In een fractie van een seconde kon jouw gezicht transformeren van een kleurrijk regenboog palet naar een leeg canvas.

Totaal apathisch, jouw ogen doordrenkt met een aanstekelijke triestheid.

Alleen jij kon apathie en verdriet in één zijn.

Jouw antwoorden bleven altijd aan de vlakte. Ik verkoos jouw lege woorden boven diepte, nam genoegen met het kabbelende water. Ik voelde me daar content bij, vertrouwd zelfs.

Misschien deed je me denken aan Mees. Ook hij kon urenlang muisstil zitten op de rand van de stoep, zonder ook maar ‘boe’ of ‘bah’ te geven, zijn blonde krullen dansend in de verkoelende zeewind. Zelfs als er geen enkel briesje stond, leken zijn haren te dansen. Net als die van jou.

Een normale vijfjarige vindt urenlang stilzitten complete waanzin. Maar normale vijfjarigen worden uiteindelijk zes. Mees niet.

Ik sloot mijn ogen en fluisterde.

‘Tikkie terug.’

Dat deed ik altijd als ik aan hem dacht.

Ik heb je nooit over hem verteld, misschien omdat ik het je diep van binnen kwalijk nam dat je jouw grootste geheimen liever in een doosje verstopt hield.

Ik wist het niet.

Vier

Het kostte me maanden om jouw zelfbenoemde bekentenissen te lezen. Zo noemde jij ze, maar dat zijn het nooit geweest. Je bent niet lang genoeg gebleven om er profijt van te hebben.

Nu ik erop terugkijk, ben ik je dankbaar. Ik had de krochten van jouw verdriet niet aangekund. Zelfs toen je de waarheid beheerst liet bovendrijven, één brief per keer, kostte het me een hoeveelheid wilskracht waarvan ik niet wist dat ik hem bezat. Wilskracht om niet te verdrinken in woede. Verdriet. Radeloosheid. Onmacht.

Voor deze ene keer zou je rechtsaf gaan, om antwoord te geven op de vragen die ik je nooit had durven stellen.

Je schreef over stilte en rust.

Over vijanden en kleurrijke handvaten.

Over de liefde voor je vader.

Over de nachten dat hij je op zijn schoot nam.

Over hoe hij op je vijfde verjaardag je favoriete groene broek open knoopte en hoe hij je almaar vroeg of je het ook zo fijn vond.

Een vraag waarop hij het antwoord nooit echt wilde horen.

In de vierde brief schreef je over hoe hij het iedere dinsdagavond zou blijven doen, totdat je het zelf begon te initiëren.

Je zou het niemand vertellen, want niemand zou het geloven.

Ik kan het je niet kwalijk nemen. Ik had ook gezwegen.

Het hielp om mezelf wijs te maken dat het je goed deed het op te schrijven. Alsof ieder beetje inkt een vergelding was voor het verdriet dat hij je aan heeft gedaan. Zelfs al die jaren na zijn overlijden. Maar in de zorgvuldigheid waarmee je je woorden koos, las ik dat je ze niet schreef voor jezelf.

Je schreef ze voor mij.

Soms vroeg ik me af of Mees en jij de eindigheid van dit alles aanvoelden. Alsof jullie beiden de stilte gebruikten om alles tot in detail te absorberen. Als een spons met maximale absorptie.

Bij Mees was zijn eindigheid hem aangeboren, bij jou was hij je aangedaan.

Je kon niet anders, dan voor die stilte te kiezen.

En voor rust.

Uiteindelijk.

Ik wenste dat ik het paarse handvat was. Dat de grassprieten voor eeuwig in mijn benen gegrift stonden. De geur van die zomernacht permanent in mijn huid getrokken.

Niets daarvan is werkelijkheid. De liefde die ik voel zal nooit meer of minder zijn dan een reflectie. Een weerspiegeling van de schoonheid die jullie bezaten.

Ik mocht het bewonderen, ook al was het maar voor even.

 

PS. Wil jij columns kant-en-klaar in je mailbox ontvangen? Schrijf je hier in voor de mailing. Spammen doe ik nooit. Pinky beloofd. 

Meer lezen?

31 december

31 december

februari 02, 2020
Alarm

Alarm

november 18, 2019
Thuis

Thuis

september 07, 2019

Reageren?

Your email address will not be published. Required fields are marked *