Detroit

Disclaimer: Voor deze levensles moet ik enige achtergrond met je delen. Ben jij van plan de film ‘Detroit’ te bezoeken? Step away from this column. Ik herhaal: Step away from this column. Dat moest in het Engels want mijn push-to-add-drama-plugin werkt niet.

Ik verstop mezelf zo’n vijf keer per maand in donkere Amsterdamse filmzalen. De bijkomstigheid van muizen en het risico op hoofdluis kan me niets schelen; ik kan geen genoeg krijgen van de bioscoop. Haar eindeloze variatie aan (productiehuis-)trailers, cinematografie en de aandoenlijke oude vandagen laten me voelen als Nemo in de Pixar studio. Ach, de bioscoop. Het liefst doe ik haar in een doosje en neem ik haar overal mee naartoe. Gelukkig heb ik een onbeperkt-naar-de-film-pas, anders moest ik wonen in mijn kartonnen bioscoopdoosje. Toch is dat kleine vriendelijke pasje mijn vrind en vijand in één. Hij brengt namelijk een gevaarlijke nonchalance met zich mee. Als je alle films (semi-)gratis kunt zien, loop je het risico om het ‘gewoon’ te gaan vinden. Daarnaast speelt tijdsdruk geen rol meer. Zo arriveer ik met enige regelmaat nét een tikkeltje te laat. Bij voorkeur lang na die tenenkrommende semi-commercials van het Argentijnse steakhouse om de hoek en die extreem onbevredigende kappersreclame zonder eindresultaat.  

Dat betekent trouwens niet dat ik onverschillig ben als het aankomt op films. Zelfs tijdens de minder leuke onderdelen, zoals het herhaaldelijk moeten voordragen van mijn monoloog “Sorry, Ja mag ik?.. Sorry mag ik er even.. Ja, bedankt hoor! Oh, ha! Daar ging ik bijna. Ja dank!”, ben ik compleet in mijn nopjes tijdens een bioscoopbezoek. Ik selecteer mijn filmprogramma’s dan ook met uiterste zorgvuldigheid en loop nooit de zaal uit. De ervaring leert namelijk dat in iedere film een levensles schuilt. Zo leerde ik van La La Land dat Emma Stone inderdaad op een poes lijkt en van Manchester by the Sea dat zelfs het ergst denkbare erger kan. En zo leerde ik afgelopen zondag tijdens de film Detroit over de prijs van rationaliseren.

Detroit is toepasselijk vernoemd naar de Amerikaanse stad waarin hij zich afspeelt en vertelt het tragische verhaal van het Algiers Motel in de nacht van 25 op 26 juli 1967. Die nacht werden drie Afro-Amerikaanse mensen doodgeschoten omdat een drietal racistische politiemannen hen ervan verdacht de ambtenaren in functie beschoten te hebben vanuit hun hotelkamer. De hotelgasten worden bedreigd, mishandeld en mentaal gemarteld. Zij smeken voor hun leven met hun onschuld. Jij, de kijker, ziet hun onschuld. Maar, je raadt het al: dat is voor de politiemannen een verhaal van lik-me-vestje. En zo leerde ik over het bestaan van racisme. The end. Geintje.

Mijn inzicht diende zich op tijdens zeker dieptepunt in de film, wanneer de bazigste politieman – laten we hem voor de vorm Adolf noemen – besluit een emotionele martelroulette te organiseren voor de hotelgasten. Dat gaat als volgt: Adolf neemt de verdachte hotelgast (lees: het slachtoffer) mee naar een nabijgelegen kamer en vuurt zijn wapen. De overige hotelgasten denken dat hij hem doodschiet, maar in werkelijkheid instrueert hij hem doodstil te blijven liggen terwijl hij misschiet. Adolf hoopt er op deze manier voor te zorgen dat de andere slachtoffers schuld bekennen. Dat moet ‘ff’, want zonder bewijslast of bekentenis krijgen ze gegarandeerd billenkoek van de opper-politiebaas. Écht geen zin in. Hij neemt trouwens niet de vrijheid om dit snode plan uit te leggen aan zijn twee collegae, die snappen dat uit zichzelf wel.

Adolf trekt zo’n beetje de klu-klux-kar en dus opent hij het nep-vuren. De tweede jongen – laten we hem Geert noemen – volgt de instructies van Adolf op, neemt de jongen apart en vuurt net naast zijn hoofd. Miss(t)ie geslaagd. Het plan lijkt te werken, want de tranen vloeiden als bier in ’t Feest van Joop op een donderdagavond. De derde jongen – laten we hem Donald noemen – staat gedurende het tafereel angstvallig te wachten in de deurpost. Donald is namelijk in de veronderstelling dat er zojuist twee jongens zijn doodgeschoten. Zijn gezicht schreeuwt: “Dit is niet goed”, zijn lichaam schreeuwt: “Ik ben niet in staat om iemand dood te schieten, maar zijn plichtsgevoel weegt zwaarder. “Doe het voor de mensen. Voor het korps. Voor Amerika.” (etc).

Adolf geeft het order. Donald stribbelt even tegen, maar vermant zich. Hij neemt de jongen onder schot, slikt even en doet wat van hem verwacht wordt. Trots loopt hij terug de gang op: “I thought I couldn’t do it, but I did it!”. Het duurt niet lang voordat Adolf zich beseft dat Donald de spelregels per ongeluk aan zijn laars heeft gelapt. Die inschattingsfout heeft hem zojuist een leven gekost. En, mega-belangrijk: hun carrières. Donald krijgt de memo en wordt direct overspoeld met paniek – hij had het recht niet hem te vermoorden. En precies dáár wringt het voor mij.

Een minuut eerder was Donald zo trots als een aap met zeven lullen, hij had zijn taak immers vervuld. Het enige verschil tussen dat exacte moment en de 60 seconden ervoor, was de rechtvaardiging vanuit zichzelf en vanuit zijn omgeving. Pas wanneer deze rechtvaardiging verdween, werd hem duidelijk wat zijn intuïtie hem allang vertelde: “Het is niet aan jou om andermans leven te nemen.” De druk vanuit zijn collega en zijn dienstplicht was voldoende om zijn intuïtie de mond te snoeren. Totdat hij wegviel en Donald overbleef met zijn eigen morele kompas, die nu stilletjes stond te huilen in een hoekje met een uitdrukking van: “Ik zei het toch.”

De keuze van de (volwassen) Donald was misschien niet zwart wit, maar hij had wél een keuze. Hij kreeg zijn kompas aangereikt met een strikje eromheen en verstopte hem eigenhandig diep in de onderste rommellade, achter de vieze sokken, de cassettebandjes en zijn oude vriendenboekje uit groep 5. In de categorie je-hebt-er-niks-aan-maar-’t-is-wel-leuk-om-te-bewaren. Rationaliseren tegen beter weten (of voelen) in is menselijk, maar in mijn kleine wereld kost dat zelden mensenlevens. Ook ik rationaliseer tegen mijn beter voelen in: “Ik kan niet daarnaartoe om te helpen, want ik heb hier ook een baan”. “Ik kan die donatie niet geven, want ik weet niet waar het terecht komt.”

Ook ik heb een keuze, maar dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. We kunnen wel schaapachtig roepen: “We zijn allemaal mensen, dus we hebben allemaal een keuze.” Maar wat zeggen we dan tegen de mensen in onmenselijke omstandigheden opgroeien? Denk aan kindsoldaten in de DR Congo, of weeskinderen in Syrië. Kun je hen verwijten die nooit zo’n keuze hebben gekregen? De mensen die opgroeien op plekken waar stemmetjes van kinds af aan in hun oren fluisteren: “Doe het, want het is ergens goed voor.” Tegen beter voelen in, net zoals Adolf bij Donald deed.

In mijn optiek kan zoiets onmenselijks als oorlog alleen bestaan wanneer rationalisering die onmenselijke kant op redeneert. Door een hele grote groep mensen ervan te overtuigen zich te distantiëren van emoties zoals angst en medeleven. Mensen zijn in de essentie toch niet gemaakt om te beslissen over andermans leven? In welke donkere grot moeten we ons morele kompas dan collectief verstoppen om onze voelsprieten daarvoor af te sluiten? Ik heb het wiel niet uitgevonden en ik heb de antwoorden niet. Maar ik vraag me af: als rechtvaardigheid enkel en alleen recht is wanneer hij de plicht van mens tot mens eert, kan misdaad dan ooit gerechtvaardigd zijn? En wat zou mijn morele kompas zeggen als ik mijn eigen rechtvaardigingen wegneem?

De bioscoop. Ik stop hem in een doosje en neem hem overal mee naartoe.

Meer lezen?

31 december

31 december

februari 02, 2020
Alarm

Alarm

november 18, 2019
Thuis

Thuis

september 07, 2019

Reageren?

Your email address will not be published. Required fields are marked *

×